De vermoorde dichter II

X Dichtkunst

In de begindagen van het jaar 1911 rende een slecht geklede jongeman opwaarts in de rue Houdon. Zijn extreem beweeglijke gezicht leek beurtelings vervuld van plezier en onrust. Zijn ogen verorberden alles wat ze zagen en terwijl zijn oogleden in snel tempo als kaken op elkaar klapten, verslonden zij het universum dat zich onophoudelijk vernieuwde, door de handeling van de jongeman die al rennend de kleinste details voor zich zag van de onmetelijke werelden waarmee hij zich voedde. Het geschreeuw en gedonder van Parijs barstte los in de verte en rond de jongeman die compleet buiten adem bleef staan, als een te lang achtervolgde inbreker die bereid is om zich over te geven.
 Dat geschreeuw, dat lawaai was een helder teken dat de vijand aanstalten maakten om hem in te sluiten als een dief. Zijn mond en oogopslag verrieden dat hij een list had en nu langzaam wandelend vluchtte hij in zijn geheugen en bewoog vooruit, terwijl alle krachten van zijn lotsbestemming en zijn geweten de tijd verdreven opdat de waarheid verscheen van hij die is, van hij die was en hij die zal zijn.
De jongeman liep een gebouw zonder verdiepingen binnen. Boven de openstaande deur vermeldde een bord:

Toegang tot de ateliers

Hij volgde een gang waar het zo donker en koud was dat het was alsof hij doodging en wilskrachtig zette hij zijn tanden op elkaar, balde hij zijn vuisten en vermorzelde hij de eeuwigheid. Toen kreeg hij opeens een nieuw besef van tijd waarvan de seconden geslagen door een galmend uurwerk vielen als glasscherven en het leven ging verder met het opnieuw verstrijken van de tijd. Maar toen hij op het punt stond om op een deur te kloppen, begon zijn hart harder te slaan, uit angst om niemand aan te treffen.
 Hij klopte op de deur en riep:
 ’Ik ben het, Croniamantal.’
 En achter de deur kwamen langzaam de zware stappen van iemand die vermoeid is of een zeer zware last draagt en toen de deur open zwaaide vond in het plotselinge licht de vereniging van twee schepselen plaats.
In het atelier, was een ontelbare kudde van in slaap gevallen schilderijen verspreid en de herder die de wacht hield glimlachte naar zijn vriend.
 Opgestapelde gele boeken in een boekenkast maakten de indruk van kluiten boter. De wind duwde de slecht sluitende deur weer open en voerde onbekende wezens mee die zich met ijle kreten beklaagden, in naam van alle smarten. Alle wolven der wanhoop huilden achter de deur, klaar om de kudde te verscheuren, evenals de herder en zijn vriend om op dezelfde plaats de fundamenten voor een nieuwe stad te leggen. Maar in het atelier was het een en al vrolijkheid in alle kleuren. Een groot venster nam de gehele noordzijde in beslag en je zag er alleen de lucht zo blauw als vrouwengezang. Croniamantal liet zijn jas op de grond vallen als het lijk van een drenkeling en nam plaats op de bank waar hij lange tijd zwijgend keek naar het nieuwe doek dat op de schildersezel was geplaatst. Gekleed in blauw linnen en met blote voeten keek ook de schilder naar het schilderij waarop in ijzige nevel twee vrouwen herinneringen koesterden.
 In het atelier bevond zich nog een noodlottig ding, een groot stuk van een gebroken spiegel dat met haakjes aan de muur was bevestigd. Het was een onpeilbare, verticale dode zee met op de bodem een vals leven dat het niet bestaande tot leven wekte. Aldus, tegenover de kunst, was er zijn schijnbeeltenis, waarvoor de mensen niet op hun hoede zijn en die hen omlaag brengt terwijl de kunst hen had verheven. Croniamantal boog voorover op de bank en met zijn onderarmen steunend op zijn knieën wendde hij zijn ogen af van het schilderij om ze te richten op een op de grond geworpen bord waarop met penseel het volgende bericht was geschilderd:

IK BEN IN DE BISTRO
De Vogel uit Benin

 Hij las en herlas deze zin terwijl de Vogel uit Benin zijn hoofd bewegend, achteruit stappend en naderbij komend naar zijn schilderij keek. Vervolgens wendde hij zich tot Croniamantal en zei:

‘Ik heb jouw vrouw gisteren gezien.’
— Wie is het?, vroeg Croniamantal.
— Ik weet het niet, ik heb haar gezien, maar ik ken haar niet, het is een vrij jong meisje, zoals je ze graag ziet. Ze heeft het trieste en kinderlijke gezicht van hen die bestemd zijn om mensen te laten lijden. En in de sierlijkheid van haar handen, die zich afwerend opheffen, mist ze die adeldom die dichters niet zouden kunnen liefhebben omdat ze hen het lijden zou onthouden. Ik heb je vrouw gezien, zeg ik je. Ze heeft iets lelijks en iets moois; ze is als alles waar we vandaag van houden. En zij smaakt ongetwijfeld naar naar laurierblad.

Maar Croniamantal, die niet naar hem luisterde, viel hem in de reden om te zeggen:

 ’Ik heb gisteren mijn laatste gedicht in regelmatige verzen geschreven:

Luit
 D’ruit!

en mijn laatste gedicht met onregelmatige regels:
(Let op dat het woord ‘meid’ in de tweede strofe beledigend is bedoeld)

PROSPECTUS VOOR EEN NIEUW MEDICIJN

Waarom kwam hij terug Hjalmar
De zuiver zilveren bekers bleven leeg
De avondsterren
Werden sterren van de morgen
En vice versa ook
De toverkol in het woud van Hrûlœ
Bereidde haar maaltijd
Ze was een hippofaag
Hij was het echter niet
Maï Maï ramaho nia nia

Toen weer de morgensterren
Als avondsterren verschenen
En vice versa ook
Riep zij uit in de naam van Marœ
En van haar geliefde lammergier
Arnammœrs meid
Zij bereidt de drank der helden
— Ontegenzeglijk nobele krijger
Maï Maï ramaho nia nia

Ze greep toen de zon
En dompelde hem in de zee
Zoals een goede huisvrouw
Een ham in pekelwater laat zinken
Maar rampspoed! vraatzuchtige zalmen
Verorberden de verdronken zon
En hebben pruiken gemaakt
Uit zonnestralen
Maï Maï ramaho nia nia

Zij nam de maan en wikkelde haar in linten
Zoals bij beroemde doden
En bij zuigelingen
En in het licht van spaarzame sterren
De eeuwige
Kookte zij een aftreksel van wolfsklauw
Van wolfsmelk en Noors dennenteer
En van elvensnot
Om helden te laten drinken
Maï Maï ramaho nia nia

Zoals de zon ging hij heen
En de toverkol hoog in een sparreboom
Luisterde tot de nacht
Naar het razen van harde winden in de fles
En de liegende skalden die hun woord geven
Maï Maï ramaho nia nia

*

Croniamantal zweeg even en voegde eraan toe:

Ik schrijf voortaan alleen nog maar poëzie die van alle beperkingen vrij is, inclusief die van de taal.

Luister, vriend:

mahévidanomi renanocalipnoditoc
EXTARTINAP + v. s.
A. Z.
Tel. : 33-122 Pan : Pan
OeaoiiiioKTin
iiiiiiiiiiii

(wordt vervolgd)