Poëzie en beeld (2): vouwgedichten

Wanneer een gedicht wordt gelezen in plaats van voorgedragen, heeft de dichter maar beperkte middelen om de leesduur te beïnvloeden, zoals de lengte van regels, herhalingen, witregels, spreiding over meer pagina’s e.d. ‘Beeldend woordkunstenaar’ Jet H.H. Crielaard experimenteerde met ‘miniatuurvouwboekjes’ om de leestijd te regisseren. De gedichten zijn tweezijdig afgedrukt op een in vieren gevouwen vierkant papier en voorzien van illustraties en expressieve typografie. In de doorklik een voorbeeld van zo’n vouwgedicht, gevolgd door de weergave in platte tekst, die laat zien hoe anders het gedicht leest zonder de effecten van de gevouwen versie.

Instructie/toelichting: je moet je dus voorstellen dat je onderstaande gedicht in vieren gevouwen aantreft en bij het gedicht rechtsboven begint te lezen en daarna openvouwt naar de onderste helft met de muzieknoten en vervolgens het blad omdraait en de achterkant in zijn geheel bekijkt.

witte-laarsjes1-604

© Jet H.H. Crielaard

witte-laarsjes2-604

© Jet H.H. Crielaard

IK HEB WITTE LAARSJES

Die wilde ik al lang
Om terecht te zeggen
Ik heb witte laarsjes
Geen witte laarsjes om te pochen
Dat ik toch echt witte laarsjes heb
Maar witte laarsjes
Witten weldaad over lippen
Laarzen lekker op de tong

La la la la la la la la la la la la

Witte la la la la la la la la la la la la la la la la la la laarsjes

Witte laarsjes
Witte laarsjes
Witte laarsjes
Witte laarsjes
Witte laarsjes
Witte laarsjes
Witte laarsjes
Witte laarsjes
Witte laarsjes
Witte laarsjes
Witte laarsjes
Witte laarsjes

Ik had witte laarsjes
Om terecht te zeggen
Ik had witte laarsjes
Geen witte laarsjes om te pochen
Dat ik toch echt witte laarsjes had
Maar witte laarsjes
Witten weldaad over lippen
Laarsden lekker op de tong


Jet H.H. Crielaard, ‘Ik heb witte laarsjes’, eigen uitgave, jaartal onbekend. Tekst en beeld overgenomen met toestemming.

Er zullen weinig lezers zij die al die herhalingen van ‘la’ en ‘witte laarsjes’ als een soort zenoefening met volle aandacht gaan lezen. De ‘visuele’ versie werkt beter in het suggereren van tijdverloop tussen de begin- en de slotstrofe. Nog indrukwekkender zou misschien een voorgedragen versie zijn, waarbij het ‘witte laarsjes’ aan het begin bijna uitgeschreeuwd wordt en dan in elf stappen afzwakt tot fluisterniveau. Met het vouwboekje als libretto.

Extra: technische details van dit gedicht

De woorden ‘witte laarsjes’ vormen twee trocheeën en dit metrum is in elke regel doorgevoerd. Dit is ook het ritme van lopende laarzen. In de eerste regel en in de laatste twee zijn er verschillende alliteraties met een w en een l en de eerste en laatste regel hebben het medeklinkerijm langtong. In de eerste regels is er een assonantie met i-klanken en in regels 4-5-8 assonantie/binnenrijm van de woorden pochen-toch-tong (drie keer een stemloze plofklank gevolgt door een korte o). De w-klank wordt uitgesproken met de lippen en de l-klank met de tong en daar zijn de laatste regels een zinspeling op. De laatste regels hebben schijnbaar gelijke bouw (parallellie) en daardoor ontstaan verschillende bedoelde verwarringen over de betekenis. Het woord ‘laarzen’ in regel 8 kan zowel een zelfstandig naamwoord als een werkwoord zijn. Ook ‘lekker’ in regel 8 is dubbelzinnig (smakelijk/plezierig). ‘Tong’ is ook een woord uit de schoenenindustrie.
 De compositie wordt gedomineerd door herhalingen: van het metrum, van ‘la’ en ‘witte laarsjes’ en van de bijna identieke herhaling van de eerste strofe aan het einde. Opvallend is ook het contrast tussen de alledaagse taal in de eerste zes regels en het ‘dichterlijke’ van de laatste twee regels van de eerste strofe. Door de enallages aan het begin van deze slotregels (witten, laarzen) is dit contrast scherp gemarkeerd.

Inhoud

Witte laarzen zijn als modeartikel ‘een ding’. Vooral vrouwen zullen er associaties bij hebben. Maar dit is geen shoppinggedicht. De enige uitweiding is dat het de dichter niet om de laarzen als pronkobject gaat, maar om de klanken. Mode wordt verheven tot klankpoëzie of tot een lied. Je kunt ‘witte laarsjes’ als een symbool lezen. Het is dubbel licht: wit + verkleinwoord. Staat het voor de (te) lichtheid van het bestaan? Is dit een abstracte versie van het program van het concert des levens? Is de eindstrofe een soort grafschrift? Of is het gedicht puur een compositie van woorden, klanken en beelden met het ritme van lopende laarzen?
 De opbouw van het gedicht is een aanwijzing. De eerste strofe leest als een intro van een lied en de laatste als een reprise van dat intro. Maar waar zijn de coupletten? Een tekstdichter zou die er gemakkelijk bij kunnen invullen: over hoe de ik-figuur eerst verlangt naar de laarsjes, ze na lang sparen eindelijk weet te bemachtigen, een tijdje dolblij is, maar er langzaam maar zeker op raakt uitgekeken en ze afdankt. In plaats van deze invuloefening is er het door typografie en notenbalken gesuggereerde ‘klankgedicht’. Door de sterke associaties die iedere lezer bij ‘witte laarsjes’ heeft, heeft dit veel meer zeggingskracht dan de weggelaten coupletten.