Maarten Doorman over La Carpe

Tekst: Maarten Doorman; beeld: Rijksstudio, Ohara Koson (publ. dom.)

Met toestemming geplaatst!: een column van Maarten Doorman over de karper uit Le Bestiaire

Vissenkom

door Maarten Doorman | eerder verschenen in Human

Een echte liefhebber van de candid camera ben ik niet. De vette knipoog, canned laughter en de beuzelgesprekjes eromheen lengen een vaak goed idee aan tot de stroperige middelmaat die een vereiste lijkt voor bijna alles wat op tv verschijnt. Mijn favoriete uitzondering komt uit een vroege versie van zo’n programma, decennia geleden, toen tv meestal net zo suf was, maar nog minder gepolijst. Het heette Poets.

We zagen een slagerij met een vissenkom op de toonbank. Een klant kwam binnen, legde 50 cent neer, stak zijn hand in het water tussen de goudvissen en nam vervolgens een hap van een in die hand verborgen halve oranje winterwortel, wat een geweldig geluid gaf. De ogen van de om hem heen staande klanten vergeet je nooit meer. En een zakkende onderkaak.
 Onlangs kwam de Partij voor de Dieren met het voorstel om de vissenkom te verbieden. In de wandelgangen van de Kamer zag men bezwaren, want moest je dan ook grote vazen onder dat verbod laten vallen, en zo nee, hoe voorkwam je dan dat vissenbeulen hun goudvis in een bloemenvaas lieten rondzwemmen? Werd het er dan niet nog erger op?
Het is verleidelijk hier lacherig over te doen. Temeer daar deze motie er een van tientallen was, waaronder het voorstel om vissers te verplichten een cursus te volgen over stress bij vissen, een verbod op het houden van slechts één konijn in een hok, en een verbod op meerdaagse vluchten van postduiven. Terwijl niet lang daarna de partij ook nog eens 24 vragen tegelijk aan Minister Verburg stelde over haar voornemen de Eerste Oosterscheldekreeft van het jaar in ontvangst te nemen.
 Maar lees het gedicht van Apollinaire en twijfel. Het is kort en verraderlijk simpel en briljant, net als veel andere verzen uit dat Bestiaire. Nu geloof ik dat de indringende melancholie van dit gedicht eerder te danken is aan het ontbreken van het vraagteken aan het eind, zodat het doorzeurt als een mededeling die nog een vraag moet worden en de kans niet krijgt, dan door vissenleed, dat in Poets zo krakend werd uitvergroot tussen de kiezen van de man bij de slager. Bovendien zijn de karpers van Apollinaire melancholiek omdat ze maar door blijven leven in de eindeloze monotonie van het karperbestaan. Alleen word je tegelijkertijd door deze regels toch deelgenoot van die stomme koude vissen. Hun eentonige uitzichtloosheid is een opdringerige metafoor – als je niet oppast herken je je erin.
 En word je deelgenoot van een dier, dan wordt alles anders. Is het echt zo raar de goudvis een handje te helpen, net als de scharrelkip en de zwijnen op de Veluwe? Mogen we de Minister niet lastigvallen met haar kreeft? Is het geen goede vraag te willen weten hoe die kreeft wordt doodgemaakt en of we die kreeft überhaupt van het leven moeten beroven? Eerst bevriezen en dan koken in plaats van meteen in kokend water? Of met een scherp mes midden door de kop? Of juist helemaal geen kreeft eten? En als die kreeft nu zelf geen vegetariër is en zelfs zijn eigen soortgenoten eet zo gauw die zich niet kunnen verdedigen, verdient hij dan nog mededogen. Is het beter dieren te eten in het bewustzijn van je eigen wreedheid, zoals die heerlijke rauwe, levende oester, of verdienen moten zalm in blik de voorkeur. Zijn zoogdieren als walvis en dolfijn erger dan rode poon, is een minder ontwikkeld zenuwstelsel een excuus.
 Monotone vragen die hun vraagteken kwijt zijn en door het duister zwemmen tot een antwoord ze ooit vindt en onschadelijk maakt.