Non-fictie van Apollinaire

We zijn begonnen met een tweede vertaalproject: een selectie uit de non-fictie van Apollinaire.

Gereed

In uitvoering

Gepland

  • ‘Simultanisme-Librettisme’
  • ‘Paul Fort’

 

Wijlen Alfred Jarry

vertaling: Wouter van der Land

alfred-jarry-portret-vallotton-paars

Dit is het beroemde in memoriam van Apollinaire, dat in talloze publicaties over Alfred Jarry is aangehaald. De twee waren geen intieme vrienden, maar ze hadden waardering voor elkaars werk en ze deelden een passie voor het biljart en voor oude literatuur. Als bron voor feiten is deze tekst niet betrouwbaar. Jarry voedde zich bijvoorbeeld niet met rauw vlees en augurken, om één punt te noemen. Over de eerste ontmoeting hoeft niet getwijfeld te worden. De soiree van La Plume vond plaats op 25 april 1903.

De eerste keer dat ik Alfred Jarry ontmoette, was op een soiree van La Plume, de tweede serie, waarvan men zegt dat ze minder de moeite waard was dan de eerste1. Le café du Soleil d’Or had zijn naam veranderd: het heette le café du Départ. Deze melancholieke naam bespoedigde zonder twijfel het einde van de bijeenkomsten en mogelijk dat van La Plume. Die uitnodiging om af te reizen dreef ons snel ver uiteen! Toch vonden daar in de kelderverdieping aan het place Saint-Michel enkele mooie avondjes plaats en er werden in klein gezelschap vriendschappen gesmeed.
Op de bewuste avond kwam Alfred Jarry op me over als de personificatie van een rivier, een jonge, baardloze rivier in doordrenkte kleren. Zijn dunne druipsnor, de overjas met golvende panden, zijn flanellen shirt en wielrijdersschoenen hadden allemaal iets weeks, iets sponsachtigs; de halfgod was nog vochtig, het leek alsof hij enkele uren ervoor doorweekt uit zijn rivierbedding was gerezen.

We sloten vriendschap tijdens een glas stout. Hij droeg een gedicht voor met metaalachtige rijmklanken op -orde en -arde. Nadat we hadden geluisterd naar een nieuw chanson van Cazals, gingen we er vandoor tijdens een dolle cake walk waarin René Puaux, Charles Doury, Robert Scheffer en twee vrouwen met het haar in de war verstrikt raakten.
Ik bracht bijna de hele nacht heen en weer lopend over de Boulevard Saint-Germain door met Alfred Jarry en we onderhielden ons over heraldiek, ketterijen en poëzie. Hij vertelde me over de schippers tussen wie hij een groot deel van het jaar verbleef en over de marionetten waarmee hij Ubu voor de eerste maal had opgevoerd. Alfred Jarry sprak zorgvuldig, ernstig, snel en af en toe pompeus. Hij stopte opeens met spreken, glimlachte, om abrupt serieus te vervolgen. Zijn voorhoofd bewoog onophoudelijk, maar in de breedte en niet in de hoogte zoals je meestal ziet. Tegen vieren sprak een man ons aan om de weg naar Plaisance te vragen. Jarry trok een revolver tevoorschijn, beval de voorbijganger om zes passen achteruit te nemen en gaf hem de informatie. We gingen vervolgens uiteen en hij keerde terug naar zijn ‘grote kazuifelmakerij’ in de rue Cassette2. Hij nodigde mij uit om hem daar te komen bezoeken.

 ‘De heer Alfred Jarry?’
 ‘Op de drieëneenhalfde étage’
Dit antwoord van de conciërge verbaasde me. Ik nam de trap naar Jarry, die daadwerkelijk op de drieëneenhalfde bleek te wonen. De huiseigenaar had de plafonds te hoog bevonden en had deze gehalveerd. Dit pand, dat nog altijd bestaat, had op deze manier een vijftiental verdiepingen gekregen, maar omdat het per slot van rekening niet hoger was dan de andere gebouwen in de wijk, was het niet meer dan een miniatuur-wolkenkrabber.
Eigenlijk bevond zich in de woning van Alfred Jarry een overvloed aan miniaturen. Die drieëneenhalfde was in feite een miniatuurétage, waar de huurder met gemak rechtop kon staan, maar waar ik —omdat ik een stuk groter ben— moest bukken. Het bed was een miniatuurbed, dat wil zeggen een strozak; lage bedden waren in de mode, vertrouwde Jarry me toe. Zijn schrijftafel was ook een miniatuur, want Jarry schreef op zijn buik, liggend op de vloer. Het meubilair was miniatuurmeubilair, want het bestond alleen uit het bed. Aan de muur hing een miniatuurschilderij. Het was een portret van Jarry, waarvan hij het grootste gedeelte had verbrand en alleen het hoofd was overgebleven, dat hem deed lijken op Balzac op een lithografie die ik ken. Zijn bibliotheek was een miniatuurbibliotheek en dan druk ik mij nog sterk uit. Zij bestond uit een volkseditie van Rabelais en twee of drie delen uit de Bibliothèque Rose. Op de haard stond een grote stenen fallus van Japanse makelij, een geschenk van Félicien Rops aan Jarry, die de meer dan levensgrote pik altijd afgedekt hield met een kapje van paars fluweel, sinds de dag dat deze exotische monoliet een schrijfster had laten schrikken, buiten adem van de klim naar de drieëneenhalfde étage en als een kat in een vreemd pakhuis in deze grote kazuifelmakerij zonder meubelen.
 ‘Is dat een afgietsel?’, had de dame gevraagd.
 ‘Nee’, antwoordde Jarry, ‘het is een miniatuur’.

affiches-frank-bostock-paris-hippodrome

Beeld: affiches van Bostock (publ. dom., via Gallica.fr)

Na zijn terugkeer uit Grands-Lemps, waar hij met Claude Terrasse3 op reis was geweest, nam hij me mee naar een Engels café in de Rue d’Amsterdam, waar ik regelmatig kwam. Daar dineerden we en omdat Jarry over ‘goudstukken’ beschikte, wilde hij me trakteren op Bostock4.
Op de achterste rijen maakte hij zijn buren bang met opmerkingen over leeuwen en door verschrikkelijke onthullingen over het dompteursvak. De geur van wilde dieren steeg hem naar zijn hoofd. Hij beweerde op panterjacht te zijn geweest in een tuin in de Rue de la Tour-des-Dames. In werkelijkheid ging het om jonge exemplaren, die waren ontsnapt uit hun kooi, die per ongeluk had opengestaan. De behoorlijk in verlegenheid gebrachte bewoners stonden klaar om de kleine pantertjes met karabijnschoten door het raam te doden.
‘Doe het niet’, zei Jarry, ‘ik zorg dat alles goed komt.’
In de eetkamer bevond zich een harnas in zijn maat. Jarry vermomde zich als ridder en daalde geheel door staal omhuld af in de tuin met een glas in zijn gepantserde handschoen. De wilde beesten sprongen op en Jarry toonde hen het lege glas. Ze gaven zich onmiddellijk gewonnen en volgden hem terug naar de kooi, die hij weer op slot deed.
‘Want dit is de beste manier om wilde dieren te onderwerpen’, vertelde Jarry. ‘net als de meeste mensen hebben de wreedste dieren een hekel aan lege glazen en wanneer zij ze zien maakt de afschuw ze tot angsthazen en kun je met ze doen wat je maar wilt.’
Toen hij tijdens het vertellen van deze geschiedenissen met zijn revolver begon te zwaaien, deinsden de toeschouwers terug, vrouwen toonden verschrikte blikken en enkele wilden vertrekken.
Jarry kon zijn tevredenheid niet onderdrukken dat hij de burgermensjes schrik had aangejaagd en met de revolver in de hand klom hij naar het bovendek van de omnibus die hem terug naar Saint-Germain-des-Prés zou brengen. Daarboven zwaaide hij als groet nogmaals met zijn Bulldog revolver.

alfred-jarry-guillaume-apollinaire-saint-germain-648

Foto: Boulevard Saint-Germain met dubbeldekkeromnibus (1906), via Flickr, (The Casas…, uitsnede van ansichtkaart uit 1906)

Die Bulldog bracht een maand of zes door in het atelier van een vriend van ons. Dat gebeurde onder de volgende omstandigheden.
We waren voor het diner uitgenodigd in de rue de Rennes. Toen we aan tafel zaten wilde iemand hem de hand lezen en liet Jarry zien dat hij alle lijnen dubbel bezat. Om zijn kracht te bewijzen, brak hij met zijn vuist borden die hij had omgedraaid en verwondde zich uiteindelijk. Het aperitief, de wijnen hadden hem opgewonden. Een Spaanse beeldhouwer wilde met hem kennismaken en benaderde hem vriendelijk. Maar Jarry gaf aan deze ‘etter’ het bevel de kamer te verlaten en niet meer terug te komen en hij verzekerde me dat de jongeman hem zeer oneerbare voorstellen had gedaan. Na enkele minuten keerde de gevluchte Spanjaard terug en onmiddellijk schoot Jarry met zijn revolver op hem. De kogel verdween in een gordijn. Twee zwangere vrouwen die zich in de nabijheid bevonden, vielen flauw. De mannen hadden ook hun bedenkingen en met zijn tweeën namen we Jarry mee. Op straat zei hij met de stem van Ubu: ‘Was dat niet mooi als literatuur? Maar ik heb vergeten te betalen voor de consumpties.’
Terwijl we hem meevoerden hadden we hem ontwapend en hij kwam zes maanden later naar Montmartre om van ons de revolver terug te vorderen, die onze vriend had vergeten hem te retourneren.

De kwajongensstreken van Jarry deden de grootst mogelijke schade aan zijn reputatie en zijn talent, een van de meest uitzonderlijke en vruchtbare van zijn tijd, leverde hem niet genoeg op om van te leven. Hij leefde ongezond en voedde zich in Parijs met rauwe schapenkoteletten en augurken. Hij verzekerde me dat hij om zijn maag te bevorderen vaak voor het slapen gaan een groot glas leegdronk, dat hij in gelijke hoeveelheden had gevuld met azijn en absint en hij bond dit zonderlinge mengsel door toevoeging van een druppeltje inkt. Het ontbrak de arme père Ubu aan de goede zorgen van een vrouw.
In Coudray leefde hij van zijn visvangst en het is zeker een geluk dat hij vaak buiten Parijs aan de rivier heeft gewoond. De stad zou hem jaren eerder hebben gedood wanneer hij dat niet had gedaan.

Alfred Jarry was een letterkundige zoals er maar weinig zijn. Zijn kleinste daden, zijn guitenstreken, het was allemaal literatuur. Het was alsof hij op de letteren was gegrondvest en op niets anders. Maar op welk een bewonderenswaardige wijze. Iemand zei mij een keer dat Jarry de laatste burleske schrijver was. Dat is een vergissing! Welbeschouwd waren de meerderheid van de vijftiende-eeuwse en een groot deel van de zestiende-eeuwse auteurs niets anders dan burleske schrijvers. Dat woord is niet geschikt om de meest zeldzame voortbrengselen van de humanistische cultuur aan te duiden. We hebben geen term die staan kan voor die uitzonderlijke luchtigheid waarin lyriek satire wordt, waar de , terwijl deze zich tegen de realiteit richt, dusdanig uitstijgt boven zijn onderwerp dat hij het vernietigt en zo’n hoogte bereikt dat de poëzie er alleen met moeite kan geraken, terwijl de vulgariteit hier tot de stijl zelf behoort en door een onvoorstelbaar verschijnsel noodzakelijk wordt. Deze uitspattingen van de intelligentie waar gevoelens geen deel van uitmaken kregen alleen in de Renaissance de vrije ruimte en Jarry was door een wonder de laatste van deze verheven uitspattingen.

Hij had bewonderaars en tussen zijn lezers bevonden zich filologen en vooral wiskundigen. Hij was zelfs populair op de École Polytechnique. Maar hij werd miskend door veel lezers en onder letterkundigen. Hij leed zeer door deze miskenning. Hij sprak mij een keer langdurig over een brief waarin Francis Jammes hem een preek gaf over Le Surmâle, die op het punt stond te verschijnen. De dichter uit Orthez zei dat de boeken van Jarry riekten naar de stedeling die voor zijn geestelijke gezondheid baat zou hebben bij een leven buiten Parijs, etc. Het was dat of iets soortgelijks. ‘Wat zou hij zeggen’, merkte Jarry op, ‘wanneer hij zou weten dat ik het grootste deel van het jaar doorbreng op het platteland, aan de oever van een rivier waar ik dagelijks zit te vissen?’

Na hem een lange tijd niet ontmoet te hebben, zag ik Jarry weer op een moment dat zijn situatie minder zorgelijk leek te worden. Hij bracht boeken uit, kondigde La Dragonne aan en sprak van een kleine erfenis waarvan een toren in Laval deel uitmaakte. Deze toren, die hij zou moeten laten restaureren om er te kunnen wonen, bezat de unieke kracht om voortdurend op zijn voet rond te draaien. Hij bewoog echter zeer langzaam, sinds hij er honderd jaar over deed om een volledige ronde te maken. Ik vermoed dat die onwaarschijnlijke vertelling voortkwam uit een woordenspel waarin de twee betekenissen en twee woordgeslachten van het woord ‘tour’ zich vermengden.
Hoe dan ook, Jarry werd ziek en verviel in armoede. Vrienden hielpen hem erbovenop. Hij keerde terug naar Parijs met geld en ‘apotheekrecepten’. Het waren rekeningen van een wijnhandel!
Hierna was ik niet meer op de hoogte van zijn persoonlijke omstandigheden. Maar ik weet dat Jarry binnen een klein aantal dagen voor veel geld dronk en weinig at. Ik wist niet dan men hem naar het Hôpital de la Charité had gebracht. Het schijnt dat hij tot het einde toe helder en kwajongensachtig bleef. Georges Polti, die hem kwam bezoeken, liep naar zijn bed, en omdat hij sterk ontroerd was en zeer slecht zag, merkte hij Jarry niet op en deze riep doodziek als hij was met luide stem, om het genoegen te beleven om zijn vriend te verrassen en te laten schrikken: ‘Hé Polti! Hoe gaat het met u?’
Jarry stierf op 1 november 19075 en op de derde volgden we met een man of vijftig zijn rouwstoet. De gezichten stonden niet bijzonder somber en alleen Fagus, Thadée Nathanson en Octave Mirbeau waren een klein beetje in grafstemming. Tegelijkertijd voelde iedereen het gemis van de grote schrijver en charmante jongen die Jarry was. Maar er zijn doden die je anders dan met tranen betreurt. Er waren niet veel klaagvrouwen op de begrafenis van Falengo, noch op die van Rabelais, noch op die van Swift. Zulke doden hebben niets gemeen met verdriet. Hun lijden is nooit vermengd geweest met droefenis. Voor zulke begrafenissen is het noodzakelijk dat iedereen blijk geeft van de gelukkige eer een man te hebben gekend die nooit de behoefte heeft getoond zich in beslag te laten nemen door de ellende waar hij en anderen onder gebukt gaan.
Nee, niemand huilde achter de lijkkoets van père Ubu. En omdat het een zondag was, de dag na Allerzielen, verspreidde de grote mensenmassa die de begraafplaats van Bagneux had bezocht zich tegen de avond over de uitspanningen in de omgeving. We zongen, we dronken, we aten vleeswaren: een kleurrijk tafereel als een scène verzonnen door degene die we ter aarde bestelden.


 

Koloniale recepten

vertaling: Wouter van der Land

Op 1 augustus 1918 gepubliceerd in Mercure de France. De Franse tekst is hier te vinden.

 De koloniale keuken biedt smakelijke recepten die de moeite waard zijn om uit te proberen, bijvoorbeeld op vleesloze dagen.
Blaff is een gekruid gerecht uit de Franse Antillen. Maak makrelen schoon. Laat ze een half uur marineren in fijngestampte rode peper, zout, peper en gehakte knoflook.
 Kook daarnaast een court-bouillon van gezouten water met daarin in plakken gesneden uien, een bosje peterselie, kruidnagels, tijm, grove bieslook, een flinke hele rode peper en een geplet teentje knoflook.
 Voeg nadat deze court-bouillon een uur heeft gekookt de vis toe zonder zijn marinade. Een kwartier laten koken. Serveer de vis zonder de bouillon, besprenkeld met citroensap.
 Van dezelfde origine is de omelet met zee-egels. Bak een ruime hoeveelheid van het gele gedeelte van de zee-egels, meng deze met losgeklopt en ga te werk als bij een gewone omelet.


 

De nieuwe geest en de dichters

vertaling: Wouter van der Land

Deze tekst is de uitgeschreven versie van een lezing die Apollinaire op 26 november 1917 hield in het Theâtre du Vieux-Colombier in Parijs. De tekst werd gepubliceerd op 1 december 1918 in Mercure de France. E-versie van de tekst is te vinden bij het Obervatoire de la Vie Littéraire.

esprit-nouveau-apollinaire-manuscrit

Beeld: manuscript (fragment) van L’Esprit Nouveau et les Poètes. Bron: Bibliothèque littéraire Jacques Doucet (link)

De nieuwe geest die de hele wereld zal domineren, heeft zich nergens in de poëzie gemanifesteerd als in Frankrijk. De sterke intellectuele discipline die de Frans zichzelf altijd hebben opgelegd, staat hen en hun geestverwanten een opvatting van het leven, de kunsten en de literatuur toe die, zonder simpelweg het resultaat van de Klassiek oudheid te zijn, ook niet de tegenhanger is van een mooi romantisch plaatje.
 De nieuwe geest die zich aandient, noemt zich erfgenaam van de klassieken door een goed ontwikkeld gezond verstand, een zelfverzekerde kritische geest, gedeelde visies over het universum en de menselijke ziel en een plichtsbesef dat gevoelens opzij zet en manifestaties hiervan beperkt of liever onderdrukt.
 Van de romantici acht de nieuwe geest zich erfgenaam van een nieuwsgierigheid, die hem ertoe zet om alle gebieden te onderzoeken die literair materiaal kunnen verschaffen om het leven in de vorm waarin het zich aandoet te bezingen.
 De waarheid onderzoeken en haar evengoed in het etnische domein zoeken als in de de verbeelding, dát zijn de belangrijkste eigenschappen van die nieuwe geest.
 Deze stroming heeft overigens altijd zijn gedurfde vertegenwoordigers gehad, onwetend dat zij ertoe behoorden; lang geleden kwam zij tot ontwikkeling, kwam zij in beweging.
 Hoe dan ook is dit de eerste keer dat zij zich bewust van zichzelf presenteert. Tot op heden was het litteraire domein afgebakend in strenge grenzen.
 Men schreef proza of men schreef verzen. En voor wie proza schrijft, fixeerden de grammaticale regels de vorm.
 Voor wie tot de poëzie behoorde, was het schrijven van rijmende verzen de enige wet, die regelmatige aanvallen onderging, maar niets bracht haar aan het wankelen.
 Het vrije vers gaf de lyriek een vrije vlucht; maar dit was slechts één fase in de zoektocht naar wat mogelijk is in het domein van de vorm.
 Onderzoekingen naar de vorm zijn desondanks weer van groot belang geworden. Zij is legitiem.
 Hoe zou dit onderzoek de dichter niet kunnen interesseren, dat wat de nieuwe ontdekkingen in het denken en in de lyriek kan bepalen?
 Assonantie, alliteratie zijn evenzeer als het rijm conventies met elk hun verdiensten.
(wordt vervolgd)


 

Gerard de Nerval

Franse tekst bij Obvil.
vertaling: Wouter van der Land

Het is bekend dat enkele letterkundigen zich verenigd hebben om in Parijs een monument op te laten richten voor Gérard de Nerval. De beeldhouwer Desbois heeft de maquette van het beeld al gereed en het wachten is alleen nog op het geld om het uit te voeren. Het lijdt geen twijfel dat de dichter van Les Chimères, die Georges Brandès betitelde als de ‘Euphorion van de Romantiek’, het verdient dat we hem vereren. Het is op dit moment echter erg moeilijk om geld bijeen te brengen voor een standbeeld van een man die zich niet met politiek heeft ingelaten. We zijn er echter van overtuigd dat de Duitsers van goede smaak het comité te hulp zullen komen en er belang in zullen stellen om eer te bewijzen aan een van de Franse schrijvers die het meest van Duitsland hield. Laten we niet vergeten dat Gérard de Nerval Faust vertaalde, tot grote tevredenheid van Goethe, die tegen Eckermann zei: ‘Ik ben niet meer in staat om Faust in het Duits te lezen, maar in deze Franse vertaling krijgt elke karaktertrek zijn frisheid terug, alsof het voor mij allemaal nieuw is.’

We mogen ook hopen dat Le Journal zal bijdragen aan een snelle uitvoering en oprichting van een monument gewijd aan de herinnering van zijn redactiesecretaris. Inderdaad, Gèrard de Nerval bekleedde deze functie bij Le Journal, dat Alphonse Karr in 1848 oprichtte en werd verkocht voor één sou.
 In die tijd vertaalde Gérard Heine, die over hem schreef:

‘Dit was werkelijk een geest groter dan een mens, het was de geest van een engel, verzeker ik, hoe afgezaagd die uitdrukking ook moge zijn… Het was een groot kunstenaar:’